
In een interview met RTL/ntv op 6 mei kondigde minister van Binnenlandse Zaken Alexander Dobrindt aan dat het kabinet werkt aan wetgeving om de uitzetting van afgewezen asielzoekers te versnellen en zogenaamde “uitzettingsobstakels” te overwinnen. De wet zou autoriteiten de bevoegdheid geven om migranten over te plaatsen naar meewerkende derde landen als terugkeer naar hun thuisland onmogelijk blijkt, en zou huiszoekingen in opvanglocaties toestaan zonder voorafgaande rechterlijke toestemming. Dobrindt gaf aan dat er gesprekken gaande zijn met verschillende niet-EU-partners over het opzetten van “terugkeerhubs”, maar noemde geen namen. Hij wees op een stijging van 20% in uitzettingen vorig jaar—totaal 24.000—als bewijs dat strengere handhaving werkt, en benadrukte de hervatting van charter- en geplande uitzettingen van veroordeelde daders naar Afghanistan en Syrië. Mensenrechtenorganisaties stelden direct vragen bij de rechtmatigheid van het uitbesteden van terugkeer, en wezen erop dat het nieuwe EU-pact over migratie en asiel een “betekenisvolle band” vereist met elk derde land dat wordt gebruikt voor terugkeer. Bedrijfsimmigratieadviseurs waarschuwen dat werknemers die hun werkvergunning verliezen na ontslag sneller in detentie kunnen worden genomen zodra de wet van kracht is. Bedrijven worden aangeraden rekening te houden met kosten voor beroepsprocedures en de beëindigingsclausules voor internationale werknemers te herzien. Als de maatregel wordt aangenomen, brengt dit Duitsland op één lijn met Deense en Britse experimenten met extraterritoriale procedures, wat wijst op een bredere Europese trend richting afschrikking. Mobiliteitsmanagers doen er goed aan te monitoren of de nieuwe detentietermijnen botsen met de 30-dagen respijtperiode waarop veel gedetacheerden vertrouwen om hun zaken na ontslag af te ronden.
Bron: FinanzNachrichten (dts)