
De Franse Nationale Vergadering wijdde een groot deel van haar begrotingssessie op 21 november 2025 aan amendementen rond immigratie, die de kosten voor buitenlanders voor verblijfs- en naturalisatiedocumenten fors zouden verhogen.
De rechtse partijen Union des Droites pour la République (UDR) en Rassemblement National (RN) dienden amendement 1377 in, met als doel de zegelrechtkosten voor zogenaamde “regularisatievisa” te verhogen tot een niveau dat volgens hen “de werkelijke administratieve kosten dekt” en de Franse belastingbetaler ontziet. Een verwant amendement wilde de vergoeding voor aanvragen tot het verkrijgen van het Franse staatsburgerschap vertienvoudigen, van €55 naar €355.
Tijdens een ongewoon fel debat presenteerden voorstanders de maatregel als een kwestie van fiscale rechtvaardigheid. “De consument die deze documenten nodig heeft, moet de werkelijke kosten betalen,” stelde Olivier Fayssat (UDR). De linkse en centrum-regeringsfracties reageerden dat zulke hoge tarieven kwetsbare migranten verder de informele economie in zouden duwen en de integratiedoelen van Frankrijk zouden ondermijnen. Minister van Binnenlandse Zaken Amélie de Montchalin waarschuwde dat grote prijsstijgingen vrijwel zeker door de hoogste administratieve rechtbank van Frankrijk zouden worden afgewezen wegens schending van het proportionaliteitsbeginsel.
Er volgden meerdere openbare stemmingen. Amendement 1377 werd met 99 tegen 85 stemmen verworpen, en soortgelijke voorstellen om de kosten voor meerjarige verblijfsvergunningen en naturalisatie te verhogen, werden eveneens afgewezen. Hoewel de huidige tarieven (meestal €200–€269 voor de meeste verblijfsdocumenten en €55 voor naturalisatieaanvragen) behouden blijven, geeft het debat aan dat de kosten rond immigratie een blijvend twistpunt zullen zijn wanneer het Parlement volgende maand de Financiële Wet 2026 afrondt.
Voor werkgevers en managers van wereldwijde mobiliteit is de directe conclusie dat de budgetten voor aanvragen in 2026 voorlopig ongewijzigd blijven. De krappe stemmingsmarges (en de belofte van oppositieparlementariërs om amendementen opnieuw in de Senaat in te dienen) suggereren echter dat bedrijven de kosten nauwlettend in de gaten moeten houden terwijl het wetgevingsproces voortduurt.
De rechtse partijen Union des Droites pour la République (UDR) en Rassemblement National (RN) dienden amendement 1377 in, met als doel de zegelrechtkosten voor zogenaamde “regularisatievisa” te verhogen tot een niveau dat volgens hen “de werkelijke administratieve kosten dekt” en de Franse belastingbetaler ontziet. Een verwant amendement wilde de vergoeding voor aanvragen tot het verkrijgen van het Franse staatsburgerschap vertienvoudigen, van €55 naar €355.
Tijdens een ongewoon fel debat presenteerden voorstanders de maatregel als een kwestie van fiscale rechtvaardigheid. “De consument die deze documenten nodig heeft, moet de werkelijke kosten betalen,” stelde Olivier Fayssat (UDR). De linkse en centrum-regeringsfracties reageerden dat zulke hoge tarieven kwetsbare migranten verder de informele economie in zouden duwen en de integratiedoelen van Frankrijk zouden ondermijnen. Minister van Binnenlandse Zaken Amélie de Montchalin waarschuwde dat grote prijsstijgingen vrijwel zeker door de hoogste administratieve rechtbank van Frankrijk zouden worden afgewezen wegens schending van het proportionaliteitsbeginsel.
Er volgden meerdere openbare stemmingen. Amendement 1377 werd met 99 tegen 85 stemmen verworpen, en soortgelijke voorstellen om de kosten voor meerjarige verblijfsvergunningen en naturalisatie te verhogen, werden eveneens afgewezen. Hoewel de huidige tarieven (meestal €200–€269 voor de meeste verblijfsdocumenten en €55 voor naturalisatieaanvragen) behouden blijven, geeft het debat aan dat de kosten rond immigratie een blijvend twistpunt zullen zijn wanneer het Parlement volgende maand de Financiële Wet 2026 afrondt.
Voor werkgevers en managers van wereldwijde mobiliteit is de directe conclusie dat de budgetten voor aanvragen in 2026 voorlopig ongewijzigd blijven. De krappe stemmingsmarges (en de belofte van oppositieparlementariërs om amendementen opnieuw in de Senaat in te dienen) suggereren echter dat bedrijven de kosten nauwlettend in de gaten moeten houden terwijl het wetgevingsproces voortduurt.