
Vanaf 1 januari 2026 moeten aanvragers van een Oostenrijkse verblijfsvergunning – waaronder Red-White-Red Cards, EU Blue Cards, gezinsherenigingsvergunningen en de meeste intra-company transfer vergunningen – een hoger niveau van regelmatig inkomen aantonen dan in 2025.
Het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft de wettelijke eis van een “zeker levensonderhoud” gekoppeld aan het jaarlijkse referentietarief van de uitkeringsaanvulling (Ausgleichszulagenrichtsatz). De nieuwe bedragen zijn nu €1.308,39 per maand voor alleenstaanden, €2.064,12 voor gehuwde stellen en een extra €201,88 voor elk kind ten laste. Deze bedragen moeten beschikbaar blijven nadat vaste maandelijkse kosten zoals huur, leningen of alimentatie die hoger zijn dan €386,43 zijn afgetrokken.
Hoewel de aanpassing bescheiden lijkt – ongeveer 6% hoger dan de drempels van vorig jaar – waarschuwen global mobility managers dat dit opdrachten die op basis van 2025-tarieven zijn begroot, kan verstoren. Een huishouden met twee volwassenen en twee kinderen moet nu minimaal €2.468,88 vrij besteedbaar inkomen per maand aantonen, wat meer dan €140 boven de vorige norm ligt. Werkgevers die salarissen verhogen om aan de eis te voldoen, zullen ook hogere sociale zekerheidsbijdragen moeten betalen, waardoor de totale projectbudgetten mogelijk opnieuw bekeken moeten worden.
De wijziging gaat direct in en geldt voor alle eerste aanvragen en verlengingen die op of na 1 januari 2026 worden ingediend. Aanvragen die vóór die datum bij de bevoegde provinciale autoriteit zijn ingediend, kunnen nog steeds volgens de 2025-tarieven worden beoordeeld, mits er geen materiële wijzigingen in de documenten worden aangebracht. Belanghebbenden hebben dus weinig speelruimte als documenten als onvolledig worden teruggestuurd.
Praktische tip: HR-teams doen er goed aan om bijgewerkte kostenoverzichten voor opdrachten uit te geven en samen te werken met verhuisdiensten om te zorgen dat huurcontracten, bankafschriften of loonstroken voldoen aan de hogere eisen. Gezinnen met niet-werkende partners moeten de structuur van gezamenlijke rekeningen herzien, zodat voldoende vrij besteedbaar inkomen op naam van de hoofdaanvrager kan worden aangetoond.
Het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft de wettelijke eis van een “zeker levensonderhoud” gekoppeld aan het jaarlijkse referentietarief van de uitkeringsaanvulling (Ausgleichszulagenrichtsatz). De nieuwe bedragen zijn nu €1.308,39 per maand voor alleenstaanden, €2.064,12 voor gehuwde stellen en een extra €201,88 voor elk kind ten laste. Deze bedragen moeten beschikbaar blijven nadat vaste maandelijkse kosten zoals huur, leningen of alimentatie die hoger zijn dan €386,43 zijn afgetrokken.
Hoewel de aanpassing bescheiden lijkt – ongeveer 6% hoger dan de drempels van vorig jaar – waarschuwen global mobility managers dat dit opdrachten die op basis van 2025-tarieven zijn begroot, kan verstoren. Een huishouden met twee volwassenen en twee kinderen moet nu minimaal €2.468,88 vrij besteedbaar inkomen per maand aantonen, wat meer dan €140 boven de vorige norm ligt. Werkgevers die salarissen verhogen om aan de eis te voldoen, zullen ook hogere sociale zekerheidsbijdragen moeten betalen, waardoor de totale projectbudgetten mogelijk opnieuw bekeken moeten worden.
De wijziging gaat direct in en geldt voor alle eerste aanvragen en verlengingen die op of na 1 januari 2026 worden ingediend. Aanvragen die vóór die datum bij de bevoegde provinciale autoriteit zijn ingediend, kunnen nog steeds volgens de 2025-tarieven worden beoordeeld, mits er geen materiële wijzigingen in de documenten worden aangebracht. Belanghebbenden hebben dus weinig speelruimte als documenten als onvolledig worden teruggestuurd.
Praktische tip: HR-teams doen er goed aan om bijgewerkte kostenoverzichten voor opdrachten uit te geven en samen te werken met verhuisdiensten om te zorgen dat huurcontracten, bankafschriften of loonstroken voldoen aan de hogere eisen. Gezinnen met niet-werkende partners moeten de structuur van gezamenlijke rekeningen herzien, zodat voldoende vrij besteedbaar inkomen op naam van de hoofdaanvrager kan worden aangetoond.