
In een interview met Welt am Sonntag onthulde de Oostenrijkse commissaris voor binnenlandse zaken, Magnus Brunner, dat de EU-uitzettingen in de eerste drie kwartalen van 2025 27% van de opgelegde terugkeerverplichtingen bereikten, een stijging ten opzichte van 19% in 2023 en het hoogste niveau sinds 2019.
Brunner schrijft dit toe aan de recent aangenomen migratie- en asielhervormingen – versnelde grensprocedures, uitgebreid detentiecapaciteit en strengere samenwerking met herkomstlanden – maar benadrukt dat dit percentage “nog lang niet voldoende” is. Hij roept lidstaten op om de uitzettingen te versnellen en offshore verwerkingscentra te onderzoeken, een politiek gevoelig voorstel dat waarschijnlijk weer op tafel komt zodra de EU haar migratiepact afrondt.
Voor Oostenrijk, waar het aantal asielaanvragen vorig jaar met 35% daalde, kan een verbeterde handhaving op EU-niveau de administratieve druk op provinciale autoriteiten verlichten en ‘secundaire migratiestromen’ binnen het Schengengebied verminderen. Werkgevers kunnen hier indirect van profiteren: minder achterstanden bij het Federaal Bureau voor Migratie en Asiel kunnen personeel vrijmaken voor de verwerking van werkvergunningen.
Toch kunnen strengere terugkeermaatregelen ook HR-uitdagingen met zich meebrengen. Bedrijven die werknemers uit derde landen met afgewezen aanvragen in dienst hebben, moeten ervoor zorgen dat beëindigings- en repatriëringsclausules voldoen aan het Oostenrijkse arbeidsrecht en de EU-detacheringsregels. Mobiliteitsteams dienen personeelsdossiers te controleren en grondige recht-op-werkcontroles uit te voeren om boetes te voorkomen.
Analisten wijzen erop dat een hogere uitzettingsgraad ook kan leiden tot strengere documentcontroles aan de buitengrenzen, wat wachttijden voor bepaalde nationaliteiten kan verlengen. Reissoftware voor risicobeoordeling moet daarom de verwerkingsduur voor reisplannen in 2026 bijstellen.
Brunner schrijft dit toe aan de recent aangenomen migratie- en asielhervormingen – versnelde grensprocedures, uitgebreid detentiecapaciteit en strengere samenwerking met herkomstlanden – maar benadrukt dat dit percentage “nog lang niet voldoende” is. Hij roept lidstaten op om de uitzettingen te versnellen en offshore verwerkingscentra te onderzoeken, een politiek gevoelig voorstel dat waarschijnlijk weer op tafel komt zodra de EU haar migratiepact afrondt.
Voor Oostenrijk, waar het aantal asielaanvragen vorig jaar met 35% daalde, kan een verbeterde handhaving op EU-niveau de administratieve druk op provinciale autoriteiten verlichten en ‘secundaire migratiestromen’ binnen het Schengengebied verminderen. Werkgevers kunnen hier indirect van profiteren: minder achterstanden bij het Federaal Bureau voor Migratie en Asiel kunnen personeel vrijmaken voor de verwerking van werkvergunningen.
Toch kunnen strengere terugkeermaatregelen ook HR-uitdagingen met zich meebrengen. Bedrijven die werknemers uit derde landen met afgewezen aanvragen in dienst hebben, moeten ervoor zorgen dat beëindigings- en repatriëringsclausules voldoen aan het Oostenrijkse arbeidsrecht en de EU-detacheringsregels. Mobiliteitsteams dienen personeelsdossiers te controleren en grondige recht-op-werkcontroles uit te voeren om boetes te voorkomen.
Analisten wijzen erop dat een hogere uitzettingsgraad ook kan leiden tot strengere documentcontroles aan de buitengrenzen, wat wachttijden voor bepaalde nationaliteiten kan verlengen. Reissoftware voor risicobeoordeling moet daarom de verwerkingsduur voor reisplannen in 2026 bijstellen.