
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) maakte op 21 mei 2026 zijn uitspraak bekend in de zaak Mouelhi tegen België, waarbij de klacht werd afgewezen wegens misbruik van het recht van petitie. De Tunesische eiser stelde dat de Belgische autoriteiten hem dakloos hadden achtergelaten ondanks een uitspraak van een binnenlandse rechtbank; later bleek uit documenten dat hij al maanden in Nederland was opgevangen. Het Hof oordeelde dat hij het opzettelijk had misleid en verklaarde de zaak daarom niet-ontvankelijk. Hoewel de inhoudelijke zaak niet werd behandeld, is de uitspraak belangrijk voor België, dat wordt geconfronteerd met een stortvloed aan EHRM-zaken over tekorten in opvangcentra. De uitspraak geeft aan dat Straatsburg streng zal optreden tegen aanvragers die onjuiste informatie verstrekken, wat mogelijk lichtvaardige klachten kan ontmoedigen die de agenda verstoppen en overheidsmiddelen belasten. Voor Belgische beleidsmakers biedt de beslissing ademruimte na jaren van veroordelingen wegens het niet huisvesten van asielzoekers. Het kan Fedasil ook aanmoedigen om verzoeken op grond van Regeling 39 actiever te betwisten wanneer er twijfel bestaat over de feiten. Tegelijkertijd kunnen oprechte aanvragers met legitieme klachten zien dat hun zaken strenger worden gecontroleerd op consistentie van bewijs. Mobiliteitsteams van bedrijven en relocatieadviseurs moeten zich realiseren dat juridische percepties van systeemmisbruik de publieke opinie kunnen verharden en leiden tot strengere controles op documenten. Het is nu belangrijker dan ooit dat afhankelijke gezinsleden die bescherming aanvragen in België volledige en waarheidsgetrouwe documenten aanleveren om vertragingen of afwijzingen te voorkomen. De terechtwijzing van zowel de eiser als zijn juridische raadsman door het Hof benadrukt de professionele plichten in asielprocedures en kan Belgische balies ertoe aanzetten de ethische richtlijnen voor EHRM-zaken aan te scherpen.