
In een vonnis van 29 mei wees de Hoge Raad een verzoek tot gerechtelijke toetsing af van een niet-EER-national die bezwaar maakte tegen de weigering van zijn langverblijfsvisum (Type D) voor een functie als chef-de-partie door het Ministerie van Justitie. De rechtbank oordeelde dat de aanvrager onvoldoende bewijs had geleverd van zijn professionele kwalificaties, relevante werkervaring en financiële draagkracht, en dat de motivering van de visumbeambte wettig en proportioneel was. Hoewel de afdeling Werkvergunningen van het Ministerie van Economische Zaken al een algemene werkvergunning voor de functie had afgegeven, bleef de visumbeambte ervan overtuigd dat de aanvrager niet voldeed aan de criteria om de functie te bekleden. De rechter bevestigde het al lang bestaande principe dat werkvergunningen en visa aparte beslissingen zijn: voor het visum is een onafhankelijke beoordeling van geloofwaardigheid en documentatie vereist. Voor werkgevers, vooral in de horeca en voedselservice, is deze uitspraak een waarschuwing dat het verkrijgen van een werkvergunning slechts de helft van de strijd is. HR-teams moeten ervoor zorgen dat buitenlandse werknemers originele culinaire diploma’s, verifieerbare referentiebrieven en bankafschriften kunnen overleggen die duidelijk aantonen dat zij zichzelf bij aankomst kunnen onderhouden. Het niet naleven hiervan kan personeelsplannen in een sector die al kampt met een ernstig tekort aan vakbekwame medewerkers, in gevaar brengen. Immigratieadvocaten wijzen erop dat de uitspraak ook de grenzen van gerechtelijke toetsing benadrukt: de rechtbank zal het bewijs niet opnieuw wegen, maar alleen toetsen of de beslisser binnen de wet handelde en rationele gronden gaf. De aanvrager werd veroordeeld tot het betalen van de proceskosten, wat de financiële risico’s van een rechtszaak voor potentiële migranten onderstreept.